Water Mythen & Sagen

Watermythen, sagen & sprookjes

In veel mythen, sagen en sprookjes spelen water en waterfiguren een belangrijke rol. Hieronder een greep uit de overweldigende hoeveelheid waterverhalen...

De waterbuffel en de tijger
Geboorte van een rivier
Loreley
Narcissus
Plons 

De waterbuffel en de tijger
Op een dag ging een boer met zijn waterbuffel en met zijn ploeg naar het rijstveld. Op het veld was de bodem zo drassig, dat de buffel slechts traag met de ploeg vooruit kon komen. Bij iedere stap zakte hij tot aan zijn buik in de dikke laag modder. De boer schoot daardoor maar langzaam met zijn werk op. Hij was daarover zeer boos en vertoornd. Hij sloeg met een stok op de buffel los en snauwde: ‘Jij luie en domme buffel! Je komt helemaal niet vooruit. Je kruipt meer dan je loopt! Kijk eens naar de tijger! Die is pas sterk en die kan lopen. Daar kun jij nog wat van leren!’
De boer schold en sloeg de buffel net zo lang totdat deze zich wrevelig omdraaide en zei: ‘Wat is er met die tijger! Ik ben toch altijd nog sterker dan hij!
De boer vond het maar opschepperij en snauwde en sloeg de buffel nog erger. Toen zei de buffel op vaste en besliste toon: ‘Je bent verwaand en kijkt op me neer. Maar je zult spoedig zien wat een buffel vermag. Breng me morgen naar de tijger, dan zal ik met hem vechten.’
De boer lachte spottend, maar hij bracht de buffel de volgende morgen toch naar het hol van de tijger. De tijger kreeg al gauw de buffel voor zijn hol in de gaten, sprong naar voren en wilde zich op hem storten. De waterbuffel stond er wijdbeens, schudde zijn beide sikkelvormige horens en zei rustig en bedaard: ‘Tijger, rustig alsjeblieft! We zullen onze krachten meten! Maar vandaag wil ik je alleen maar zeggen, dat je tanden veel te stomp zijn voor mijn dikke huid. We moeten onder gelijke voorwaarden aan de strijd beginnen: slijp jij drie dagen lang je tanden, terwijl ik in die tijd mijn horens zal slijpen. Daarna komen wij dan weer bij elkaar.’
‘Nou goed dan!’gromde de tijger en trok zich brullend in zijn hol terug. Drie dagen en drie nachten lang scherpte hij verbitterd en onvermoeibaar zijn tanden totdat deze messcherp waren.
De waterbuffel was echter heel wat anders van plan. Hij sleep zijn horens slechts één enkele dag. Op de andere twee dagen sloop hij naar een hut met stro, wikkelde brede lagen stro om zijn hele lichaam en rolde zich toen om en om in een modderkuil. Toen hij helemaal met modder bedekt was, kon men van het stro dat daaronder zat niets meer bij hem zien.
Op de dag van het gevecht verschenen de waterbuffel en de tijger, zoals afgesproken, tegelijk op de vastgestelde plaats. Het viel de tijger op dat de buffel zo smerig was en hij vroeg hem daarom: ‘Waarom heb je je zo met modder en vuil ingesmeerd?’
De waterbuffel antwoordde: ’In het hartje zomer hebben de buffels enorm veel te lijden van de hitte, dat weet iedereen. Daarom neem ik elke dag een koel bad. Dat is erg verfrissend.’
Aandachtig bekeek de tijger de buffel van top tot teen; het scheen hem toe dat hij vandaag dikker was dan anders. Aangezien hij echter niets verdachts kon ontdekken, riep hij in het vooruitzicht van een rijkelijk maal triomfantelijk uit: ‘Je komt me goed van pas, je vlees is vet en zacht geworden, een kostelijk hapje!’
‘Wacht maar eens af, tijger!’ zei de waterbuffel, ál vreet je ook varkens en schapen, mij zul je niets maken!’ Uit de hoogte en spottend zei de tijger daarop: ‘Drie dagen geleden had ik je al kunnen opvreten. Vandaag zijn bovendien mijn tanden nog geslepen. Waarom zou ik je dan niet kunnen doden?’ ‘Goed’, antwoordde de buffel, ‘als je tanden dan zo scherp zijn, ga ik eerst op de grond liggen en dan mag je driemaal toebijten. Daarna moet ik je echter driemaal met mijn horens mogen stoten.’
Hiermee ging de tijger direct akkoord. Met een enorme sprong stortte hij zich op de buffel en beet hem driemaal. Toen hij zijn gevlekte kop weer ophief, dacht hij dat de buffel al dood was. Hij had echter zijn tegenstander niet eens verwond, hij had alleen de kunstmatige huid van stro en modder in flarden gescheurd. De buffel verhief zich echter op zijn gemak, want nu was het zijn beurt. De tijger was zeer verbaasd, maar hij moest op de grond gaan liggen. De waterbuffel tilde zijn kop op en toen raakte hij de tijger met drie geweldige stoten.
De eerste stoot scheurde de buik van de tijger open; de tweede brak zijn ruggengraat; de derde doorboorde het roofdier, en de ingewanden kwamen naar buiten. De tijger rochelde nog wat na en stierf toen in een grote bloedplas.
De boer had alles van een veilige afstand gadegeslagen. Hij kon de schranderheid en de dapperheid van zijn buffel alleen maar bewonderen. Van die dag af schimpte hij niet meer op de buffel, sloeg hem niet meer en behandelde hem veel beter dan vroeger.
En daar hebben de mensen tot op de dag van vandaag achting voor de buffel vanwege zijn schranderheid. En niemand scheldt hem uit als hij bij het ploegen langzamer is dan een paard en niet zo hard kan lopen als een tijger.

Geboorte van een rivier
De Niger, die in West-Afrika meestal Joliba wordt genoemd, is een van de langste rivieren van Afrika, wel vierduizend kilometers. Ze begint in de bergen tussen Siërra Leone en Guinee, stroomt door verschillende landen en mondt uit in de Atlantische Oceaan. Het water doet er negen maanden over om die hele weg af te leggen. Er wonen heel veel verschillende volken langs de rivier. Het volgende verhaal hoort niet bij een volk in het bijzonder, maar vooral bij de rivier.
Er was eens een oude vrouw die op zekere dag een kalfje vond. De vrouw nam het mee naar huis en gaf het te eten. Het kalfje bleef bij haar en groeide op tot een enorme stier.
De stier was zo mooi dat de slager hem van de vrouw wilde kopen. Maar de vrouw zei:
‘Nee, hij is niet te koop.’
Daar was de slager zo kwaad over dat hij naar de koning ging.
‘Een van de vrouwen uit de buurt,’zei hij tegen de koning, ‘heeft een stier die zo mooi is dat alleen u hem zou mogen hebben.’
Toen hij dat hoorde, stuurde de koning onmiddellijk vijf dienaars met de slager mee om de stier te gaan halen. Toen de zes mannen bij de hut van de vrouw kwamen, zeiden ze tegen haar:
‘De koning stuurt ons om uw stier te halen.’ ‘Tegen een bevel van de koning kan ik mij niet verzetten,’zei de vrouw. ‘Neem hem maar mee.’
De zes mannen liepen naar de stier, die vastgebonden was aan een paal. Maar zodra de stier de mannen zag, deed hij zijn kop omlaag, zijn horens naar voren, en stormde op hen af. De mannen renden voor hun leven.
‘Zeg tegen je stier dat hij zich gedraagt,’zeiden ze tegen de vrouw. De vrouw sprak met de stier en deed hem een touw om zijn nek. En zo namen de mannen hem mee.
Weer terug bij de koning dwongen de zes mannen de stier te gaan liggen. Zij bonden zijn poten bij elkaar, zodat hij zich niet kon verzetten. Daarna pakte de slager zijn mes om hem te doden. Maar het mes, dat toch goed geslepen was, kwam niet door de huid van de stier. Nog geen schrammetje was er te zien.
De slager was woedend. Hij droeg de mannen op onmiddellijk de oude vrouw te gaan halen.
Zeg tegen die stier van je dat hij zich laat slachten,’zei hij tegen de vrouw. ‘Anders zal de koning je straffen.’ De oude vrouw ging naar het dier toe en sprak met hem. Daarna kon de slager zonder moeite de keel van de stier doorsnijden. Hij vilde hem, sneed hem in stukken en bracht het vlees naar de koning. Het vet mocht de oude vrouw houden.
De oude vrouw deed het vet in haar mand en ging naar huis. Maar ze gebruikte het vet niet. Zij was zo gehecht geweest aan de stier dat ze niet kon besluiten er ook maar één stukje van te eten.
De oude vrouw had geen kinderen. Zij woonde alleen en moest op haar leeftijd nog het hele huishouden doen. Maar sinds de stier dood was, gebeurde er iets geheimzinnigs. Elke keer als ze terugkwam van de een of andere boodschap, was haar hut blinkend schoon.
De vrouw was benieuwd wie er zo aardig voor haar was. En op een morgen verliet ze haar hut en verstopte zich ergens in de buurt. Na een poosje hoorde ze iets. Ze sloop voorzichtig naar de ingang van de hut en sprong toen plotseling naar binnen. Ze stond oog in oog met een jong meisje. Het meisje was geschrokken en wilde naar de mand rennen waar het vet van de stier in moest zitten, maar de vrouw hield haar tegen. ‘Wat doe je in mijn hut?’ vroeg ze. ‘Ik maak schoon,’ antwoordde het meisje. ‘Maar laat me toch naar de mand gaan.’
‘Nee! zei de oude vrouw. Ze greep de mand en zag dat hij leeg was. Toen begreep ze dat het vet van de stier veranderd was in een meisje. En om ervoor te zorgen dat het meisje een meisje zou blijven, verbrandde de vrouw de mand. Vanaf die dag woonden ze samen in de hut.

Een paar weken later, toen het meisje alleen thuis was, kwam er een koopman langs.
Hij had dorst en vroeg iets te drinken. Het meisje bracht hem wat water. De man was zo ondersteboven van het mooie meisje, dat hij moeite had het water door te slikken.
Hij haastte zich naar de koning. De koning liet het meisje ogenblikkelijk halen.
Samen met de oude vrouw verscheen zij voor zijn troon.
‘Uw dochter is erg mooi,’ zei de koning. ‘ik wil met haar trouwen.’
‘Dat is goed,’ zei de vrouw, maar alleen als u ervoor zorgt dat zij niet op de hete uren van de dag buiten komt. Ook mag ze nooit te dicht bij het vuur komen, want dan zal ze smelten als boter.’
De koning trouwde zonder te dralen met het jonge meisje. Hij had wel meer echtgenotes, maar dit meisje werd al snel zijn liefste vrouw. Dat ergerde de vrouw die daarvoor zijn lieveling was geweest. En zij zon op wraak.
Een aantal maanden ging voorbij en op een dag moest de koning op reis. Op zo’n moment had de jaloerse vrouw gewacht. Zij maakte van de afwezigheid van de koning gebruik door de andere vrouwen op te stoken tegen het nieuwe meisje. Zij deed dit zo goed dat ze op het laatst allemaal jaloers waren. En met zijn allen zochten ze haar op.
‘Jij werkt nooit en onze man geeft jou de mooiste sieraden.’ zeiden ze tegen haar. ‘Als je nu niet onmiddellijk deze sesamzaadjes gaat roosteren, zullen we je doden.’
Het meisje moest wel gehoorzamen. Zij ging naar het vuur en begon met het werk. Maar terwijl het sesamzaad geroosterd werd, smolt haar lichaam. Al gauw was er alleen nog een olieachtig plasje van haar over. En voor de ogen van de verbaasde vrouwen veranderde het plasje in een grote rivier. Toen de koning terugkwam, kon hij nergens zijn liefste vrouw vinden. ‘Waar is ze toch?’ vroeg hij. ‘Ze wilde zo graag koken,’ antwoordde de jaloerse vrouw. ‘En toen is ze gesmolten en veranderd in die grote rivier daar verderop.’
Geschrokken rende de koning naar de rivier, met de jaloerse vrouw achter hem aan. Toen sprong hij in het water en veranderde in een nijlpaard. Verlangend naar zijn geliefde verdween hij in de stroom. De jaloerse vrouw stond verbijsterd aan de kant. Zij hield veel van de koning en wilde hem niet verliezen. Zij sprong hem achterna en veranderde in een krokodil.
En sinds die dag zie je nijlpaarden en krokodillen altijd samen in de rivier de Niger.

Loreley
De Loreley is een 132 m hoge rots aan de Rijn bij St. Goar. De rivier is hier op zijn diepst en smalst, gevaarlijk dus voor passerende schepen. Volgens het verhaal woonde er in de grot halverwege de rots een beeldschone maagd, Loreley, die met haar schoonheid en gezang de schippers in gevaar bracht. De voorbij varende schippers keken namelijk omhoog in de hoop haar te zien. Voor de juiste koers hadden ze geen oog meer en menig schip sloeg op de rotsen kapot. Op zo’n manier was ook de zoon van een edelman aan zijn einde gekomen. De vader stuurde soldaten om Loreley gevangen te nemen, maar ze konden haar niet vinden en besloten te wachten. Toen Loreley thuiskwam zag ze de soldaten zitten en riep de hulp in van Vater Rhein. Deze liet het waterpeil van de rivier stijgen en Loreley werd op de golven weggevoerd en is nooit meer gezien.


De rots waar Loreley volgens de legende woonde
 

 Narcissus
Er leefde eens een mooie jongen. Hij heette Narcissus. Zijn vader was een riviergod, Kefisus, en zijn moeder was een nimf, Leriope. Narcissus was beeldschoon. Hij had dikke gouden krullen tot aan zijn schouders, en als hij met zijn hoofd schudde, dansten de krullen. En hij was bruin, zongebruind, en mooi gespierd. Hij liep altijd buiten, was altijd aan het rennen, altijd op blote voeten. Hij had ogen als sterren en mooie wenkbrauwen, roze wangen en een fijne neus. En zijn lippen waren als jonge kersen. Maar Narcissus was heel erg bang voor mensen, hij was mensenschuw; hij vertrouwde niemand. Hij was het liefst alleen, alleen in het bos, in de natuur. Klimmen op de rotsen, rennen door de varens. Met de bomen en met de vlinders en de vogels en de dieren in het bos en de insecten. Dat was zijn gezelschap. Mensen die waren niet te vertrouwen. Mensen hoefde hij niet. En daarom dachten de nimfen, dat hij arrogant was, hooghartig, omdat hij nooit echt met ze wilde praten, en altijd vluchtte. Hij was het niet, hij was niet echt arrogant. Eén van de nimfen was smoorverliefd op Narcissus. Ze verlangde naar hem en ze smachtte en ze wachtte op hem, en ze probeerde bij hem te komen, maar het lukte haar nooit. Ze kon hem niet eens goed aankijken. Ze smachtte, ze verlangde en ze wachtte en ze wachtte... Maar het werkte niet. Ze werd dunner en dunner; ze kon niet meer eten, ze kon niet meer slapen. Ze werd doorschijnend. En op het laatst verdween ze helemaal: alleen haar stem bleef nog over. "Echo...echo..." De nimfen vonden dat verschrikkelijk. Zo’n arrogantie, zo’n jongen! Eén van hun zusjes was helemaal weggekwijnd. "Helemaal weg? Dat kan niet! Dat moet gestraft worden! Zoiets kan niet!" En ze gingen naar Afrodite, de mooiste van alle godinnen: de godin van de liefde. En zij vroegen om straf voor Narcissus. Afrodite was de nimfen goedgezind en ze zorgde ervoor dat hij als straf verliefd wordt op zijn eigen spiegelbeeld. En op een dag, toen hij weer in het bos rende en op de rotsen klom en door de varens waadde, en op het mos lag, toen kreeg hij dorst en hij ging naar de bron om water te drinken. Hij ging knielen in het gras, en hij wilde water opscheppen. En toen... Wat ziet ‘ie daar? Wat een beeldschone jongen! Ah! Die krulletjes, die gouden krulletjes, die ogen als... als...

 

 



... als sterren stralend, die mooie wenkbrauwen, die roze wangen, die fijne neus, die lippen; het zijn net jonge kersen! Oh, en die fijne kin, die mooi gevormde kin! Hij is goud en goudbruin en zo mooi en sierlijk en zo gespierd! Narcissus keek en keek en hij kon er geen genoeg van krijgen. En zijn hart begon te bonzen tot in zijn keel. En hij kreeg het warm, en hij kreeg het heet, en hij kreeg rillingen. Dan had ‘ie het koud, dan weer heet.

Narcissus was verliefd. En zo bleef ‘ie daar staren en kijken en voelen.

Zoiets heeft ‘ie nog nooit in zijn leven gevoeld. En zo bleef ‘ie daar heel de dag. Toen - het begon bijna te schemeren - dacht ‘ie: ik zal die prachtige jongen een kus geven. En hij boog voorover en hij wilde zijn lippen drukken op het water... En hij verloor zijn evenwicht! En plons! Hij viel in het water en verdronk! De nimfen hoorden wat er gebeurde en ze schrokken. "Maar dat, dat bedoelden we niet! Dat gaat ons te ver! Dat hoefde niet! Wij wilden een straf, maar hij is nu dood.

Zo een jongen; hij was zo jong en zo mooi en... Dat wilden wij niet. Dat gaat ons veel te ver! Wat kunnen we doen?" Er was niks meer aan te doen. Toen voelden de nimfen zich verplicht tot een plechtige begrafenis. En ze gingen naar de bron.

En ze zochten naar het dode lichaam van Narcissus.

Ze zochten overal, maar ze konden het niet vinden. Het enige dat ze vonden in het gras bij de bron was een prachtige gele bloem met een lange sierlijke steel: een zonnegele bloem met een hartje - de narcis... 

Plons
Er woonden eens zes hazen aan de oever van een meertje, gelegen midden in een bos met papajabomen. Toen de vruchten rijpten, viel er een papajavrucht in het water en die zei: ‘Plons!’
De hazen, die dit geluid nog nooit gehoord hadden, schrokken geweldig en stoven uiteen.
Een vos zag ze weghollen en riep hen na: ‘Wat is er aan de hand? Waarom lopen jullie zo hard?’ ‘De plons komt’, hijgden de hazen en holden door. Nauwelijks had de vos dit gehoord of ook hij nam een aanloop en stoof weg.
Nieuwsgierig zag een aap vanuit een boom de vluchtende vos en vroeg: ‘Waarom heb je zo’n haast? Is er ergens brand?’ ‘De plons komt’, riep de vos buiten adem, zonder echter langzamer te gaan lopen.
De aap dacht niet lang na en vluchtte weg. Van tak naar tak slingerend en dan weer eens over de grond huppelend, baan hij zich een weg door het struikgewas alsof de duivel hem op de hielen zat.
Het bericht verspreidde zich vliegensvlug onder alle dieren in woud en steppe. De een hoorde het van de ander. Ten slotte leek alles op de vlucht te zijn. De herten vlogen met lange, uitgestrekte sprongen over alle hindernissen heen, de buffels stampten in grote kudden over de vlakten. Met een geweldig gedreun donderden de neushoorns en olifanten voort; beren, luipaarden, tijgers en leeuwen joegen naast elkaar door het woud, en knorrend renden de varkens er achteraan. Ieder dacht slechts aan de vlucht, alle werden bang, omdat de een, de ander zag jagen en rennen alsof zijn leven ermee gemoeid was. De vluchtende dieren kwamen ten slotte bij een berg, aan de voet waarvan een leeuw met lange manen lag. Toen hij al die dieren zo zag voortrazen, riep hij naar een leeuw: ‘Waarom heb je toch zo’n haast, broer? Waarom loop je zo hard, je hebt toch scherpe tanden en machtige klauwen?’
‘De plons komt!’ riep de leeuw en wilde weer doorlopen. ‘De plons? Wie is dat dan?’ En waar is hij?’ ‘Dat weet ik ook niet’, zei de ander, die kletsnat was van het zweet. ‘Rustig dus maar’, zei de oude ervaren leeuw. ‘We moeten deze zaak eens grondig onderzoeken. Waar komt dat bericht vandaan?’
‘De tijger kwam voorbij en die heeft het me verteld,’ zei de leeuw, die nu stil was blijven staan. Er was een stagnatie gekomen in de lange rij vluchtende dieren. De oude leeuw gebruikte die gelegenheid, ontdekte met zijn scherpe ogen in de algemene wanorde de tijger en vroeg hem, waar hij dat gehoord had, van de plons. ‘Ik heb het van de luipaard,’ zei de tijger. De luipaard bekende dat hij door de bruine beer gewaarschuwd was en die had het bericht weer van zijn neef, de zwarte beer. Ook de olifanten, de neushoorns, de waterbuffels en de herten werden ondervraagd, ten slotte ook de vos en het varken, maar niemand wist het juiste over de plons.
De vos dacht, dat hij het van de zes hazen aan het meer gehoord had.
De leeuw met de lange manen was oud en ervaren en ondervroeg daarom ook de zes hazen.
‘We hebben hem gehoord! Met onze eigen oren hebben wij de plons gehoord’, zeiden de hazen en boden aan, alle dieren naar de betreffende plek te begeleiden.
Op bevel van de oude leeuw brachten de hazen nu alle dieren naar het meer in het papajabos. ‘Hier hebben wij hem gehoord’, zeiden ze en keken angstig om zich heen. Op datzelfde ogenblik viel een papajavrucht ‘plons’! van de boom in het water. De oude leeuw zei rustig en met humor: ‘Er is een papajavrucht in het water gevallen. Die heeft “plons” gezegd. Willen jullie er niet weer vandoor gaan?’ Toen begonnen de dieren te lachen en haalden opgelucht adem; de hazen werden voortaan niet zo erg meer geloofd. 

(Bron: Nederlands Watermuseum)